Biologie 21.1: Cellen en Leven
De cel is de kleinste eenheid van een organisme die zelfstandig kan functioneren. Denk aan het als de kleinste "levende machine" die alles doet wat nodig is om te overleven.
Er bestaan twee hoofdtypen cellen. Eukaryote cellen hebben een celkern en komen voor bij planten en dieren. Prokaryote cellen hebben geen celkern en vind je bij bacteriën en schimmels.
De organisatieniveaus lopen van klein naar groot: molecuul → organellen → cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme → populatie → levensgemeenschap → ecosysteem → systeem aarde. Elk niveau bouwt voort op het vorige.
Let op: Alle levende wezens moeten voldoen aan de levenskenmerken: bewegen, groeien, ontwikkelen, voortplanten, stofwisseling en waarnemen/reageren op prikkels.
Verschillende celtypen hebben verschillende onderdelen. Plantencellen hebben bijvoorbeeld een celwand en bladgroenkorrels voor fotosynthese, terwijl dierencellen deze niet hebben. Bacteriën missen een celkern, wat ze fundamenteel anders maakt.



















