Être - Het belangrijkste Franse werkwoord
Être in de tegenwoordige tijd is super handig omdat je het voor bijna alles gebruikt. De vervoegingen lijken misschien ingewikkeld, maar ze volgen een patroon dat je snel onder de knie krijgt.
De vormen zijn: je suis (ik ben), tu es (jij bent), il/elle/on est (hij/zij/men is), nous sommes (wij zijn), vous êtes (jullie/u bent), en ils/elles sont (zij zijn). Let op dat "vous êtes" anders klinkt dan je zou verwachten!
In de verleden tijd gebruik je être met het hulpwerkwoord avoir. Dit heet de passé composé en betekent dat iets in het verleden is gebeurd. Bijvoorbeeld: "j'ai été malade" (ik ben ziek geweest).
Pro-tip: Oefen être elke dag een paar minuten - het is de basis voor heel veel Franse zinnen!































