Werkwoorden Vervoegen
Regelmatige werkwoorden volgen een vast patroon dat je makkelijk kunt onthouden. Je neemt de stam van het werkwoord en voegt de juiste uitgang toe: -e, -st, -t, -en, -t, -en.
Bij het werkwoord "spielen" krijg je dus: ich spiele, du spielst, er spielt, wir spielen, ihr spielt, sie spielen. Deze systematiek werkt voor bijna alle regelmatige werkwoorden.
Onregelmatige werkwoorden zijn lastiger, maar gelukkig zijn de belangrijkste er maar een paar. Sein (zijn) en haben (hebben) moet je uit je hoofd leren omdat je ze constant gebruikt.
Onthoud: "Ich bin, du bist, er ist" en "ich habe, du hast, er hat" - deze komen in elke Duitse tekst voor!