Present Perfect vs Past Simple
Oké, dit wordt makkelijker dan je denkt! De present perfect gebruik je wanneer iets in het verleden is begonnen maar nog steeds belangrijk is voor nu. Denk aan ervaringen die je tot nu toe hebt opgedaan of dingen die nog steeds doorgaan.
Bijvoorbeeld: "I have walked around a lot already" - je bent in het verleden gaan wandelen en dat heeft invloed op hoe je je nu voelt. Met de past simple vertel je gewoon over iets dat klaar en afgelopen is in het verleden.
"We were in L.A. last month" is een perfect voorbeeld - jullie waren er, nu zijn jullie er niet meer, punt uit. Het belangrijkste verschil? Present perfect verbindt het verleden met het heden, past simple laat het verleden gewoon in het verleden.
Onthoud dit: Als je een specifieke tijd kunt noemen (gisteren, vorige week), gebruik je bijna altijd past simple!
Signaalwoorden present perfect: for, until, yet, so far, never, recently, ever, just, already, since.
Signaalwoorden past simple: last, ago, dates in the past, yesterday.