Atoommodel en Periodiek Systeem
Elk atoom bestaat uit een kern met positieve protonen en neutrale neutronen, terwijl negatieve elektronen in schillen eromheen bewegen. Het aantal protonen bepaalt het atoomnummer - en omdat atomen neutraal zijn, heb je evenveel elektronen als protonen.
De elektronen zitten in verschillende schillen: de K-schil (max 2 elektronen), L-schil (max 8) en M-schil (max 18). De elektronen in de buitenste schil noem je valentie-elektronen - die bepalen hoe een atoom reageert.
Het massagetal krijg je door protonen en neutronen bij elkaar op te tellen. Isotopen zijn atomen van hetzelfde element maar met een verschillend aantal neutronen - dus hetzelfde atoomnummer maar ander massagetal.
In het periodiek systeem staan elementen op volgorde van atoomnummer. Horizontale rijen zijn perioden, verticale kolommen zijn groepen. Belangrijke groepen zijn alkalimetalen (groep 1), aardalkalimetalen (groep 2), halogenen (groep 17) en edelgassen (groep 18). Edelgassen zijn super stabiel door hun elektronenconfiguratie.
Let op: De covalentie vertelt hoeveel bindingen een atoom kan maken om een edelgasconfiguratie te krijgen.