Celtypen en Evolutie
Prokaryoten (bacteriën) hebben geen echte celkern, terwijl eukaryoten (schimmels, dieren, planten) wel een celkern hebben. Dit verschil is cruciaal voor het begrijpen van evolutie.
De evolutietheorie vertelt een fascinerend verhaal: heterotrife organismen (die organische stoffen opnemen) zoals amoeben namen bacteriën op via fagocytose. Deze bacteriën werden uiteindelijk mitochondriën.
Later namen sommige eencelligen ook blauwwieren op, die bladgroenkorrels werden. Zo ontstonden verschillende celtypen: eencelligen + mitochondrium = schimmel, eencelligen + bladgroenkorrels + mitochondrium = plant.
Interessant feit: Mitochondriën en bladgroenkorrels hebben hun eigen DNA en t-RNA - bewijs dat ze ooit zelfstandige bacteriën waren!
Plastidentypen zijn makkelijk te onthouden: chloroplast (groen, fotosynthese), chromoplast (gekleurd), en leucoplast (kleurloos, opslag zoals zetmeel). Ondergrondse aardappeldelen hebben leucoplasten, bovengrondse delen chloroplasten.