Temperatuur en tolerantie
Enzymen sturen alle levensprocessen, maar ze werken alleen goed bij de juiste temperatuur. Te koud = te traag, te warm = kapot. Daarom leven de meeste organismen tussen 0 en 45°C. Koudbloedige dieren (reptielen, vissen) worden bij kou traag en inactief, terwijl warmbloedige dieren (vogels, zoogdieren) hun eigen temperatuur op peil houden.
Elke soort heeft tolerantie: hoeveel schommelingen in omgevingsfactoren ze aankunnen. Grote tolerantie = groter verspreidingsgebied. Binnen het tolerantiegebied ligt het optimum - de ideale omstandigheden waarbij ze het best groeien en zich voortplanten.
Concurrentie ontstaat wanneer organismen vechten om dezelfde dingen: voedsel, ruimte, partners of licht. Dit leidt tot selectiedruk - alleen de best aangepaste individuen overleven. Te veel concurrentie kan populaties laten uitsterven, wat het hele ecosysteem beïnvloedt.
Symbiose is samenwerking tussen soorten: mutualisme (beide hebben voordeel), commensalisme (één heeft voordeel, ander merkt niets) en parasitisme (parasiet profiteert, gastheer lijdt schade).
Onthoud: Beperkende factoren bepalen waar en in welke aantallen soorten kunnen leven - zoals temperatuur voor tropische vissen in Nederlandse wateren.