Plastiden en celevolutie
Plastiden zijn alleen te vinden in plantencellen en komen in drie hoofdtypen. Chloroplasten bevatten bladgroenkorrels voor fotosynthese, chromoplasten geven kleuren (denk aan oranje wortels), en leucoplasten slaan stoffen op zoals zetmeel in amyloplasten.
Interessant feit: chloroplasten kunnen veranderen in chromoplasten - daarom worden groene tomaten rood! Andere kleuren komen vaak door kleurstoffen in het vacuolevocht, zoals bij rode uien.
De evolutietheorie verklaart waarom chloroplasten en mitochondriën eigen DNA hebben. Miljarden jaren geleden namen grotere cellen kleinere cellen op via fagocytose. Cellen die blauwwieren opnamen, ontwikkelden zich tot planten. Cellen die alleen bacteriën opnamen, werden de voorouders van dieren en schimmels.
Prokaryoten (bacteriën) hebben geen celkern, terwijl eukaryoten (planten, dieren, schimmels) wel een celkern hebben. Autotrofe organismen maken zelf voedsel via fotosynthese, heterotrofe organismen moeten hun voedsel opnemen.
Onthoud: Mitochondriën en chloroplasten waren ooit zelfstandige bacteriën - daarom hebben ze nog steeds hun eigen DNA!