Transport door membranen
Concentratie bepaalt hoe stoffen zich verplaatsen - van veel naar weinig. Diffusie is deze natuurlijke verplaatsing tot alles gelijkmatig verdeeld is. Apolaire stoffen gaan makkelijk door membranen, polaire stoffen hebben hulp nodig van transporteiwitten.
Osmose is waterbewegeling door een semipermeabel membraan van lage naar hoge concentratie opgeloste stoffen. Aquaporines zijn speciale waterkanalen die dit proces versnellen. Hoe groter het concentratieverschil, hoe sterker de osmotische druk.
Dierlijke cellen reageren verschillend op oplossingen: isotoon gelijkeconcentratie=geenverandering, hypotoon lagereconcentratie=celzweltop, hypertoon hogereconcentratie=celkrimpt.
Plantcellen hebben turgor - druk door wateropname die de cel stevig houdt. Bij watertekort krijg je grensplasmolyse (druk wordt nul) of plasmolyse (celmembraan laat los van celwand). Daarom hangen planten bij droogte!
Praktisch voorbeeld: Als je zout op een slak strooit, verliest hij water door osmose - daarom krimpt hij!