Passé composé - De Franse verleden tijd
Oké, de passé composé klinkt ingewikkelder dan het is! Je gebruikt deze tijd gewoon om te zeggen wat er in het verleden is gebeurd, zoals "ik heb gespeeld" of "zij is gegaan".
De formule is simpel: hulpwerkwoord (avoir of être) + voltooid deelwoord. Het hulpwerkwoord zet je in de tegenwoordige tijd, en daarachter plak je het voltooid deelwoord van je hoofdwerkwoord.
Met avoir krijg je zinnen zoals: J'ai joué (ik heb gespeeld) en Nous avons fini (wij hebben beëindigd). Met être gebruik je bij bewegingsworkwoorden: Je suis allé(e) (ik ben gegaan) en Elle est née (zij is geboren).
Handige tip: De meeste werkwoorden gebruiken avoir als hulpwerkwoord. Être gebruik je vooral bij werkwoorden die beweging of verandering uitdrukken, zoals aller (gaan) en naître (geboren worden).
Het voltooid deelwoord maak je zo: werkwoorden op -er worden -é (parler → parlé), werkwoorden op -ir worden -i (finir → fini), en werkwoorden op -re worden -u (vendre → vendu). Bij être moet het voltooid deelwoord meeveranderen met het onderwerp - dus elle est allée maar ils sont allés.