Woordsoorten: Je Taalgereedschap
Elke zin die je spreekt of schrijft bestaat uit verschillende woordsoorten - denk aan ze als de bouwstenen van onze taal. Net zoals een timmerman verschillende gereedschappen heeft, heeft de Nederlandse taal verschillende soorten woorden.
Zelfstandige naamwoorden (znw) zijn alles wat je kunt aanwijzen: mensen, dieren, dingen en planten. Denk aan 'hond', 'tafel' of 'Maria'. Lidwoorden (lw) zoals 'de', 'het' en 'een' staan er meestal voor.
Bijvoeglijke naamwoorden (bnw) maken je zinnen veel interessanter omdat ze iets vertellen over het zelfstandig naamwoord. In plaats van "een auto" krijg je "een snelle, rode auto".
Handig om te weten: Werkwoorden zijn de actie in je zin - zonder werkwoord geen complete zin!
Werkwoorden (ww) zijn je doe-woorden die de actie aangeven. Bij meerdere werkwoorden in één zin is het laatste het zelfstandig werkwoord (zww) en de eerste het hulpwerkwoord (hww). Koppelwerkwoorden (kww) verbinden gewoon twee delen van een zin.
Voornaamwoorden vervangen zelfstandige naamwoorden om herhaling te voorkomen. Persoonlijke voornaamwoorden zijn 'ik', 'jij', 'hij'. Bezittelijke voornaamwoorden zoals 'mijn' en 'jouw' geven eigendom aan. Aanwijzende voornaamwoorden zoals 'deze' en 'die' wijzen specifiek iets aan.
De rest zijn kleine maar belangrijke woordjes: voorzetsels (in, op, met), bijwoorden (gisteren, misschien), en telwoorden voor hoeveelheden en volgordes.