Zinsdelen herkennen: de basis
Persoonsvorm (pv) is het werkwoord dat meebeweegt met de tijd. Verander je de tijd van de zin? Dan verandert de persoonsvorm automatisch mee. Bijvoorbeeld: "ik loop naar huis" wordt "ik liep naar huis" - 'loop' en 'liep' zijn de persoonsvormen.
Het werkwoordelijk gezegde (wwg) bestaat uit álle werkwoorden in de zin samen. Let op: dit kunnen er dus meerdere zijn! "Na het zwemmen stond ik heel lang op hem te wachten" heeft als wwg 'stond te wachten'. Bij "ik was aan het spelen" is het wwg 'was aan het spelen'.
Het onderwerp (o) vind je door de vraag "wie/wat + wwg" te stellen. Handig om te onthouden: een onderwerp begint nooit met een voorzetsel zoals 'in', 'op' of 'van'.
Naamwoordelijk gezegde (ng) herken je aan twee onderdelen: een koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, blijken) plus een eigenschap van het onderwerp. Als er een werkwoord staat dat niet in dit rijtje thuishoort, dan heb je gewoon een wwg.
Pro tip: Bij een naamwoordelijk gezegde staat nooit een lijdend voorwerp in de zin!