Beeldspraak en Gedichtherkenning
Beeldspraak maakt abstracte concepten concreet door figuurlijke taal te gebruiken. Een vergelijking verbindt object en beeld met woorden zoals "als" - "hij vecht als een leeuw."
Bij een zuivere metafoor wordt alleen het beeld genoemd: "hij is een leeuw" (geen "als" dus). Personificatie geeft levenloze dingen menselijke eigenschappen - "de wind fluistert."
Metonymie noemt het ene maar bedoelt het andere - "het Witte Huis besloot" (eigenlijk: de president). Synesthesie combineert verschillende zintuigen: "harde kleuren" of "zoete muziek."
Voor gedichtherkenning tel je versregels per strofe: distichon (2), terzet (3), kwatrijn (4), kwintet (5), sextet (6), septet (7), octaaf (8). Een sonnet heeft altijd 14 regels - Italiaans tweekwatrijnen+tweeterzetten of Engels driekwatrijnen+distichon.
Rijmschema's zijn simpel: gekruist (abab), omarmend (abba), of gepaard (aabb). Alliteratie herhaalt medeklinkers, assonantie herhaalt klinkers.
Examenhack: Leer de strofe-namen uit je hoofd - ze komen gegarandeerd voor in literatuurtoetsen!