Indefinido vs Perfecto - De Verleden Tijden
De Indefinido gebruik je voor afgesloten gebeurtenissen in het verleden. Denk aan dingen die helemaal klaar zijn en een duidelijk begin en einde hebben - zoals "gisteren ging ik naar school" of "vorig jaar verhuisden we".
Voor regelmatige werkwoorden op -ar krijg je: -é, -aste, -ó, -amos, -asteis, -aron. Bij -er en -ir werkwoorden: -í, -iste, -ió, -imos, -isteis, -ieron. Deze vormen leer je het beste uit je hoofd.
De Perfecto daarentegen gebruik je voor recente gebeurtenissen die nog steeds relevant zijn. Je maakt hem met "haber" (he, has, ha, hemos, habéis, han) plus het voltooid deelwoord −ado/−ido.
Tip: Indefinido = ver weg in tijd, Perfecto = nog vers in je geheugen!