Meetkundige Opgaven - Driehoeken en Figuren
Opgave 4 gaat over een rechthoekige driehoek ABC waar je hoek ACD moet berekenen. Je hebt AC = 8, BD = 4, en hoek BCD = 35°. Dit is een klassiek probleem waar je de sinusregel of cosinusregel kunt gebruiken om de onbekende hoek te vinden.
Opgave 5 behandelt gelijkvormige driehoeken. Met de gegeven lengtes AC = 4, AD = 3, BE = 7½, DE = 3 en de belangrijke voorwaarde dat hoek BED = hoek A, kun je gelijkvormigheid gebruiken om BD en CE te berekenen.
Opgave 6 vraagt om de exacte lengte MR in een vierkant ABCD met zijde 6. De punten M, P, Q en R liggen waarschijnlijk op specifieke posities die je kunt bepalen met de stelling van Pythagoras of coördinaatmeetkunde.
Let op: Bij "exact" berekenen mag je geen decimalen gebruiken - laat wortels en breuken staan zoals ze zijn!
Opgave 7 combineert een gelijkbenig trapezium met een omschreven cirkel. Met AB = 8, CD = 6 en straal 5 bereken je het gebied binnen de cirkel maar buiten het trapezium. Dit vereist kennis van cirkeloppervlakte en trapeziumoppervlakte.