Basisregels voor Hoeken
Een gestrekte hoek is precies 180° - denk aan een rechte lijn die je in twee delen kunt splitsen. Als je twee hoeken naast elkaar hebt die samen een rechte lijn vormen, tel je ze gewoon op: ∠B1 + ∠B2 = 180°.
Overstaande hoeken zijn altijd gelijk aan elkaar. Dit gebeurt wanneer twee lijnen elkaar kruisen - de hoeken die tegenover elkaar liggen hebben exact dezelfde grootte. Dus ∠S1 = ∠S3, simpel toch?
De hoeksom van een driehoek is altijd 180°, wat voor driehoek het ook is. Of je nu een puntige, stompe of gelijkzijdige driehoek hebt, ∠A + ∠B + ∠C = 180°. Dit is een van de handigste trucjes bij het oplossen van geometrie-opgaven!
Een rechte hoek meet precies 90° - zoals de hoeken van je schrift of telefoon. Als je een rechte hoek opsplitst in twee kleinere hoeken, tellen die samen op tot 90°: ∠A1 + ∠A2 = 90°.
Pro tip: Onthoud deze regels goed - ze komen bij bijna elke meetkunde-opgave terug en maken moeilijke vraagstukken ineens veel makkelijker!