Wisselwerking tussen de geofactoren
Geofactoren (planten, dieren, bodem, water, lucht) werken constant op elkaar in. Verander er één, en alle andere veranderen mee! Dit verklaart waarom er zoveel verschillende bodems en landschapszones op aarde zijn.
Van pool tot evenaar vind je verschillende zones: polaire, boreale, gematigde, subtropische en tropische zone. Bossen groeien alleen als er voldoende water is, de zomertemperatuur niet te laag is, en het groeiseizoen lang genoeg duurt. Ontbreekt één voorwaarde? Dan krijg je gras, struiken of helemaal geen begroeiing.
De nuttige neerslag (neerslag minus verdamping) bepaalt veel. Te veel nuttige neerslag zorgt voor uitspoeling van voedingsstoffen. In droge gebieden krijg je witte woestijnbodems door verzilting - zout dat na verdamping achterblijft aan de oppervlakte.
Handig om te weten: Gematigde gebieden zonder bos maar met voldoende vocht krijgen dikke, zwarte en zeer vruchtbare grassteppebodems!