Duitse hulpwerkwoorden: sein, haben en werden
Sein (zijn) in de verleden tijd is cruciaal om te kennen - je gebruikt het voortdurend. De vervoegingen zijn: ich war, du warst, er/sie/es war. Voor meervoud: wir waren, ihr wart, sie waren.
Haben (hebben) volgt een iets ander patroon in de verleden tijd. Onthoud: ich hatte, du hattest, er/sie/es hatte. Bij meervoud krijg je: wir hatten, ihr hattet, sie hatten.
Werden (worden) is misschien wel het handigste werkwoord van het Duits omdat je het ook gebruikt voor de toekomende tijd. In de tegenwoordige tijd: ich werde, du wirst, er/sie/es wird. Meervoud: wir werden, ihr werdet, sie werden.
Pro tip: Deze drie werkwoorden zijn onregelmatig, dus er is geen trucje - je moet ze gewoon uit je hoofd leren. Maar zodra je ze beheerst, kun je bijna alles zeggen in het Duits!