Duitse Vraagwoorden en Basiswoordenschat
Vraagwoorden zijn je beste vrienden bij het leren Duits - ze komen in bijna elke zin voor! De belangrijkste zijn wer (wie), wie (hoe), was (wat), wo (waar), warum (waarom), woher (waar vandaan), wohin (waarheen), wann (wanneer), welch (welk) en wieviel (hoeveel).
De basiswoordenschat bevat woorden die je echt elke dag gebruikt. Woorden zoals aber (maar), es gibt (er is), groß (groot) en schön (mooi) zijn onmisbaar voor elke conversatie.
Enkele veelgebruikte woorden zijn extra belangrijk: das Fahrrad (de fiets), die Hauptstadt (de hoofdstad), die Leute (de mensen) en wichtig (belangrijk). Deze komen regelmatig voor in toetsen over Duitsland en dagelijks leven.
Tip: Oefen deze vraagwoorden door ze hardop te gebruiken in simpele zinnen - zo onthoud je ze veel sneller!