Duitse Verleden Tijd - De Basis
Hebben, zijn en worden zijn de drie belangrijkste Duitse werkwoorden die je perfect moet beheersen. Ze komen overal voor en vormen de basis van veel andere tijden.
Het werkwoord "haben" (hebben) vervoeg je in de verleden tijd als volgt: ich hatte, du hattest, er/sie/es hatte, wir hatten, ihr hattet, Sie hatten. De voltooide tijd maak je met "habe gehabt".
Bij "sein" (zijn) wordt het: ich war, du warst, er/sie/es war, wir waren, ihr wart, Sie waren. Voor de voltooide tijd gebruik je "bin gewesen".
"Werden" (worden) gaat zo: ich wurde, du wurdest, er/sie/es wurde, wir wurden, ihr wurdet, Sie wurden. De voltooide tijd is "bin geworden".
Tip: Leer deze drie werkwoorden uit je hoofd - ze zijn de sleutel tot de Duitse grammatica!
Als bonus zie je ook het regelmatige werkwoord "reden" (praten) in de tegenwoordige tijd: ich rede, du redest, er/sie/es redet, wir reden, ihr redet, Sie reden. Dit laat het verschil zien tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden.