Vraagwoorden Nederlands en Duits
Vraagwoorden zijn jouw beste vrienden als je informatie wilt krijgen! In het Nederlands ken je ze waarschijnlijk al goed: wie, waar, wanneer, wat, waarvandaan, waarheen en hoe.
In het Duits wordt het wat ingewikkelder omdat Duits naamvallen heeft. Het woord "wie" verandert bijvoorbeeld afhankelijk van de functie in de zin: wer (1e naamval), wem (3e naamval), en wen (4e naamval).
De andere Duitse vraagwoorden zijn gelukkig wat simpeler: wo (waar), wann (wanneer), was (wat), woher (waarvandaan), wohin (waarheen) en wie (hoe). Let op dat "wie" in het Duits "hoe" betekent, niet "wie"!
Pro tip: Maak ezelsbruggetjes om de Duitse vraagwoorden te onthouden. "Wo" klinkt als "waar" en "wann" lijkt op "wanneer"!