Engels Unit 1 - Present Simple vs Present Continuous
Present Simple gebruik je voor dingen die regelmatig gebeuren - je gewoontes, routines en feiten. Denk aan wat je normaal gesproken doet, zoals elke zaterdag voetballen of je werk.
De vorm is simpel: gebruik het hele werkwoord, maar bij he/she/it voeg je -s toe. Bijvoorbeeld: "I play football" maar "She plays football". Let op signaalwoorden zoals always, usually, often en every day/week.
Present Continuous daarentegen gebruik je voor wat er nu gebeurt of tijdelijk bezig is. Stel jezelf de vraag: wat ben je op dit moment aan het doen?
De vorm is: am/is/are + werkwoord + -ing. Bijvoorbeeld: "I am playing football right now". Signaalwoorden zijn now, at the moment, right now en today.
💡 Ezelsbruggetje: Present Simple = gewoontes, Present Continuous = nu bezig!
Ook leer je enkele verschillen tussen Brits en Amerikaans Engels. Zo zeggen Britten "flavour" en "savoury", terwijl Amerikanen "flavor" en "savory" schrijven. Bij paprika zeggen Britten gewoon "pepper", Amerikanen "bell pepper".