Past Simple - Verleden Tijd
De past simple gebruik je wanneer je wilt vertellen over dingen die al zijn gebeurd en afgelopen zijn. Denk aan gisteren, vorige week, of toen je klein was.
Er zijn twee soorten werkwoorden waar je rekening mee moet houden: regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Bij regelmatige werkwoorden voeg je gewoon -ed toe aan het hele werkwoord. Bijvoorbeeld: help wordt helped, walk wordt walked.
Bij onregelmatige werkwoorden moet je de speciale vorm uit je hoofd leren. Deze vind je op pagina 213-215 van je boek. Voorbeelden zijn: go wordt went, see wordt saw, buy werd bought.
💡 Tip: Maak flashcards van de onregelmatige werkwoorden - dat helpt enorm bij het onthouden!
Let op dat je de vertaling, infinitive (hele werkwoord), past simple en past participle (voltooid deelwoord) van elkaar kunt onderscheiden. Deze drie vormen kom je constant tegen bij Engels leren.