Passé Composé Basics
De passé composé gebruik je om te vertellen wat er in het verleden is gebeurd. Je maakt hem door een hulpwerkwoord (avoir of être) te combineren met een voltooid deelwoord.
Het voltooid deelwoord maak je door de uitgang van het werkwoord te veranderen:
- Werkwoorden op -er krijgen de uitgang -é (zoals parler → parlé)
- Werkwoorden op -re krijgen de uitgang -u (zoals vendre → vendu)
- Werkwoorden op -ir krijgen de uitgang -i (zoals finir → fini)
Tip: Onthoud ERU als ezelsbruggetje: -ER wordt -É, -RE wordt -U, -IR wordt -I!
De meeste werkwoorden gebruiken avoir als hulpwerkwoord. Bijvoorbeeld: J'ai mangé (ik heb gegeten) of Elle a fini (zij is klaar).
Hulpwerkwoorden Avoir en Être
Avoir (hebben) gebruik je bij de meeste werkwoorden:
- J'ai / tu as / il/elle/on a / nous avons / vous avez / ils/elles ont
Être (zijn) gebruik je bij bewegingswerkwoorden en reflexieve werkwoorden:
- Je suis / tu es / il/elle/on est / nous sommes / vous êtes / ils/elles sont
Onthoud: Bij être moet het voltooid deelwoord vaak meeverbuigen met het onderwerp!
Voorbeelden met être: Je suis allé(e) (ik ben gegaan), Nous sommes parti(e)s (wij zijn vertrokken). Let op de extra letters tussen haakjes - die gebruik je afhankelijk van je geslacht en aantal!