Franse Werkwoordvervoegingen
Persoonlijke voornaamwoorden zijn je startpunt voor elke Franse zin. Je hebt je (ik), tu (jij), il/elle/on hij/zij/men, nous (wij), vous u/jullie, en ils/elles (zij). Deze moet je uit je hoofd leren - ze komen overal terug.
Voor de présent (tegenwoordige tijd) pak je de stam van het werkwoord en plak je er de juiste uitgang achter. Bij je gebruik je -e of -is, bij tu krijg je -es of -is, en zo verder. De uitgangen -ons, -ez en -ent zie je het vaakst terug.
De passé composé (verleden tijd) werkt anders - hier gebruik je altijd een hulpwerkwoord. Je combineert avoir (hebben) met het voltooid deelwoord van je hoofdwerkwoord. Dus: j'ai + voltooid deelwoord, tu as + voltooid deelwoord, enzovoort.
Het voltooid deelwoord hangt af van hoe het werkwoord eindigt. -ER werkwoorden krijgen -é (zoals parlé van parler), -IR werkwoorden krijgen meestal -i (zoals fini van finir), en -RE werkwoorden krijgen vaak -u (zoals attendu van attendre). Elk werkwoord heeft zijn eigen vorm, dus oefen veel met voorbeelden!
Let op: Onthoud de drie hoofdgroepen werkwoorden −ER,−IR,−RE - dit helpt je de juiste voltooide deelwoorden te vormen.