Steden in Vlaanderen en Artesië
Rond 1050 veranderde er iets drastisch in de Lage Landen. Door nieuwe landbouwtechnieken zoals het drieslagstelsel explodeerde de bevolkingsgroei. Deze agrarische revolutie zorgde ervoor dat er genoeg voedsel was voor een groeiende bevolking die niet meer alleen van de landbouw hoefde te leven.
Dit was het startschot voor de verstedelijking. Steden kregen stadsrechten van heersers die slimme deals maakten: steun tegen concurrenten in ruil voor economische welvaart. Het burgerschap werd echter selectief verleend - alleen kundige ambachtslieden en rijke kooplieden kwalificeerden zich, niet de ongeschoolde arbeiders.
Atrecht domineerde aanvankelijk door de lakennijverheid. Laken was het belangrijkste textielproduct van Europa, en Vlaanderen lag perfect tussen Engeland (wol) en de rest van Europa (afzetmarkt). De koopliedengilden werden zo machtig dat ze steden en vorsten geld konden lenen.
Let op: De Guldensporenslag (1302) was een keerpunt waarbij gewone ambachtslieden succesvol opkwamen tegen de machtige patriciërs. Dit gaf gilden voortaan invloed in het stadsbestuur.






















