Chinese opstanden en mislukte hervormingen
De westerse invloed en interne problemen leidden tot massale volksopstanden. De Taipingopstand (1851-1864) was de gevaarlijkste - opstandelingen controleerden een derde van China en riepen het 'hemelse koninkrijk van de vrede' uit. Hun ideeën leken op later communisme: afschaffing privébezit, gelijkheid van mannen en vrouwen, en het doden van rijke boeren en ambtenaren.
Tegelijk vond in Noord-China de Nianopstand plaats onder de leus "Dood de rijken en help de armen." Beide opstanden werden uiteindelijk neergeslagen, maar kostten miljoenen levens en lieten het land verwoest achter.
Als reactie op deze chaos startte de zelfversterkingsbeweging (vanaf 1860). Hervormers wilden China moderniseren door westerse technologie over te nemen, maar traditionele Chinese waarden te behouden. Li Hongzangh nam Japan als voorbeeld, maar de beweging bleef beperkt tot de steden.
Belangrijk: De zelfversterkingsbeweging faalde omdat conservatieven, geleid door keizerin-weduwe Cixi, elke echte verandering tegenwerkten.
De Chinees-Japanse Oorlog (1894-1895) maakte China's achterstand pijnlijk duidelijk. Japan won makkelijk en dwong China Korea en Taiwan af te staan. Dit leidde tot een nieuwe golf van westerse imperialisme, waarbij europese mogendheden steeds meer concessies eisten van het zwakke Chinese keizerrijk.