Een verzuilde samenleving
Rond 1900 leefde Nederland in aparte hokjes die elkaar nauwelijks spraken. Protestanten woonden vooral in het noorden, katholieken in het zuiden en hadden minder rechten tot Thorbecke's grondwet van 1848.
De grote ruzie ging over scholen: de schoolstrijd. Openbare scholen gaven christelijk onderwijs, maar confessionelen wilden hun eigen scholen. Probleem? Ze moesten die zelf betalen terwijl ze ook belasting voor openbare scholen betaalden.
Abraham Kuyper richtte de eerste echte politieke partij op: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hij vond dat God wél belangrijk was (tegen de ideeën van de Franse Revolutie) en dat gewone mensen ook kiesrecht moesten krijgen.
Herman Schaepman, de eerste priester in de Tweede Kamer, werkte samen met Kuyper voor katholieke rechten. Zo ontstond de verzuiling: Nederland verdeeld in liberalen, socialisten, katholieken en protestanten - elk met hun eigen scholen, kranten en verenigingen.
Handig om te weten: Verzuiling betekent dat verschillende groepen hun eigen 'zuil' vormden en weinig contact hadden - dit duurde tot de jaren '60!