Eigenschappen van geluidstrillingen
Elk geluid dat je hoort ontstaat door trillingen. Deze trillingen hebben verschillende eigenschappen die bepalen hoe het geluid klinkt.
De trillingstijd (T) is hoe lang één complete trilling duurt. Stel je voor dat je een gitaarsnaar tokkelt - de tijd die nodig is voor één volledige heen-en-weer beweging is de trillingstijd.
De frequentie (f) vertelt je hoeveel trillingen er per seconde plaatsvinden. Dit meet je in hertz (Hz). Een hoge frequentie betekent veel trillingen per seconde en geeft een hoge toon. Een lage frequentie geeft juist een lage toon.
De amplitude is hoe ver de trilling uitwijkt. Dit bepaalt of een geluid zacht of hard klinkt. Grote amplitude = hard geluid, kleine amplitude = zacht geluid.
Er bestaan zuivere tonen (met maar één frequentie) en samengestelde tonen (met meerdere frequenties). De meeste geluiden die je hoort zijn samengesteld - alleen speciale apparaten maken zuivere tonen.
Onthoud: Frequentie en trillingstijd zijn elkaars tegengestelde: f = 1/T. Hoe korter de trillingstijd, hoe hoger de frequentie!