Spelling en Werkwoordsvormen
Persoonsvormen zijn de werkwoorden die aangeven wie iets doet en wanneer. Je herkent ze door de zin van tijd te veranderen - de woorden die dan mee veranderen zijn je persoonsvormen.
Bij de tegenwoordige tijd gebruik je de ik-vorm als 'ik' ervoor staat of 'jij' erachter. In alle andere gevallen plak je er een 't' achter. Voor meervoud spel je gewoon het hele werkwoord zoals het in het woordenboek staat.
Voor de verleden tijd van zwakke werkwoorden onthoud je het ezelsbruggetje 't ex fokschaap. Als de letter vóór -en een van deze letters is, krijg je -tte. Anders wordt het -dde. Bij sterke werkwoorden maak je het woord langer om te horen of het op -d of -t eindigt.
Let op: Een persoonsvorm in de verleden tijd krijgt nooit -dt!
Overige werkwoordsvormen spel je als volgt: infinitief zoals in het woordenboek, gebiedende wijs als ik-vorm, en onvoltooid deelwoord krijgt er een -d achter. Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden eindigt meestal op -en.


































