Werkwoord Spelling
Werkwoorden die van tijd veranderen schrijf je volgens vaste patronen. Het belangrijkste is dat je eerst bepaalt of er "ik" bij het werkwoord staat - dan heb je de ik-vorm.
Bij enkelvoud voeg je een 't' toe achter de ik-vorm (bijvoorbeeld: hij wordt). Bij meervoud gebruik je het hele werkwoord zonder extra letters (bijvoorbeeld: worden).
Voor de verleden tijd gebruik je de XTC-Kofschip regel. Je pakt de stam hetwerkwoordzonder−en en kijkt naar de laatste letter. Staat die letter WEL in 'xtc-kofschip'? Dan voeg je 'te(n)' toe. Staat die letter er NIET in? Dan gebruik je 'de(n)'.
Onthoud: XTC-Kofschip helpt je kiezen tussen 'd' en 't' klanken in de verleden tijd!
Werkwoorden die niet van tijd veranderen hebben andere regels. Bij voltooide deelwoorden die beginnen met ge-, be-, her-, ver-, of ont- gebruik je de verlengingsregel. Voeg een 'e' toe en luister goed - hoor je een 'd' of 't' klank?