Faseovergangen
Faseovergangen zijn overal om je heen - van smeltend ijs tot kokend water. Of een stof vast, vloeibaar of gasvormig is, hangt af van de temperatuur ten opzichte van het smeltpunt en kookpunt.
De zes faseovergangen zijn: smelten (vast→vloeibaar), stollen (vloeibaar→vast), verdampen (vloeibaar→gas), condenseren (gas→vloeibaar), sublimeren (vast→gas) en rijpen (gas→vast).
Zuivere stoffen hebben scherpe smelt- en kookpunten, terwijl mengsels smelt- en kooktrajecten hebben. Dit verschil helpt je om stoffen te identificeren.
Voor temperatuurberekeningen: Kelvin = Celsius + 273. Deze omrekening gebruik je bij veel scheikundeformules.
Handig: Maak een schema van alle faseovergangen - dit maakt het veel makkelijker om ze te onthouden!