Wiskundige Basisvaardigheden voor het Examen
Percentages zijn overal in het dagelijks leven, dus snap deze formules goed! Voor een deel van het geheel gebruik je: (deel ÷ geheel) × 100%. Bij veranderingen reken je: nieuw−oud ÷ oud × 100%.
Verhoudingen zoals 1:2:3 los je op door alle getallen bij elkaar op te tellen (1+2+3=6), dan deel je het totale bedrag door 6. Bij €1200 krijg je dan €200, €400 en €600.
Bij toe- en afnames vermenigvuldig je met de groeifactor. 60 neemt toe met 18% wordt 60 × 1,18. Voor afname van 18% wordt het 80 × 0,82. Let op: als je het oorspronkelijke getal moet vinden, deel je door de groeifactor!
Wetenschappelijke notatie zoals 2,62144E11 betekent 2,62144 × 10¹¹ (262 miljard). Een negatieve exponent zoals E-07 betekent 0,0000000262144. Voor snelheidsomrekeningen: m/s naar km/h = × 3,6, en andersom deel je door 3,6.
Pro-tip: Maak altijd een snelle controle of je antwoord logisch is - 18% toename moet groter zijn dan het oorspronkelijke getal!