Fenotype en Genotype Basics
Je fenotype is alles wat je kunt zien aan een organisme - denk aan bruine ogen, krullend haar of je lengte. Het genotype daarentegen is de genetische informatie die hierachter zit, opgeslagen in je chromosomen.
Menschen hebben 23 chromosomenparen. Het 23e paar zijn de geslachtschromosomen (XX voor vrouwen, XY voor mannen), de andere 22 paren noem je autosomen. Homologe chromosomen zijn chromosomen die bij elkaar horen - ze hebben dezelfde vorm maar niet exact dezelfde informatie.
Een gen is een specifiek stukje DNA dat codeert voor een eigenschap. DNA bestaat uit nucleotiden met vier verschillende stikstofbasen: adenine (A), thymine (T), cytosine (C) en guanine (G). Deze basen paren altijd op dezelfde manier: A met T en C met G.
Let op: Een allel is gewoon een variant van een gen - zoals het gen voor oogkleur met allelen voor bruin of blauw.
Je fenotype wordt niet alleen bepaald door je genotype, maar ook door milieufactoren. Veranderingen door het milieu noem je modificaties - je DNA blijft hetzelfde, maar de uiting kan verschillen.