De Vijf Belangrijkste Engelse Tijden
Past Simple gebruik je voor afgeronde acties in het verleden. De formule is simpel: werkwoord + ed (bij regelmatige werkwoorden). Let op signaalwoorden zoals yesterday, in 1999, of last week - dan weet je dat het past simple is.
Past Continuous heeft de formule was/were + werkwoord + ing. Deze tijd gebruik je voor een langere actie waar iets kortdurigs doorheen gebeurde (dat korte is dan past simple). Signaalwoorden zijn when en while.
Present Perfect maak je met has/have + voltooid deelwoord. Dit gebruik je voor acties die op een onverwacht moment zijn begonnen en nog invloed hebben op nu. Herken het aan woorden zoals for, yet, never, ever, just, already, always, of since.
Present Perfect Continuous wordt has/have + been + werkwoord + ing. Hiermee focus je op een proces dat al een tijdje bezig is. Denk aan signalen zoals for hours of all day.
Past Perfect heeft de vorm had + voltooid deelwoord. Dit gebruik je voor acties die nog eerder gebeurden dan een ander moment in het verleden. Signaalwoorden zijn before, after, of by the time.
Pro tip: Leer de signaalwoorden uit je hoofd - die zijn vaak je grootste hint bij meerkeuzevragen!