Functies en Grafieken
Lineaire vergelijkingen los je op met vier simpele stappen. Eerst werk je haakjes en breuken weg, dan breng je alle termen met de variabele naar links en de rest naar rechts. Daarna herleid je beide kanten en deel je door het getal voor de variabele.
Bij lineaire ongelijkheden doe je precies hetzelfde, maar let op: als je deelt door een negatief getal, draai je het ongelijkheidsteken om! Dit is super belangrijk om te onthouden.
Lineaire functies hebben de vorm f(x) = ax + b. Hier is 'a' de richtingscoëfficiënt (hoe steil de lijn loopt) en 'b' het snijpunt met de y-as. Als twee lijnen dezelfde richtingscoëfficiënt hebben, zijn ze evenwijdig.
Tip: De richtingscoëfficiënt bereken je met y2−y1/x2−x1. Dit geeft je de helling van de lijn tussen twee punten.
Kwadratische functies hebben de vorm f(x) = ax² + bx + c. Als a > 0 krijg je een dalparabool (met een minimum), als a < 0 een bergparabool (met een maximum). De top vind je bij x = -b/(2a).
Nulpunten zijn de x-waarden waarbij f(x) = 0. Voor kwadratische vergelijkingen kun je verschillende methoden gebruiken: x buiten haakjes halen, ontbinden met de product-som-methode, of de abc-formule als andere methoden niet werken.