De 17 Gewesten en Groeiende Onvrede
De Nederlandse gewesten waren gewend aan hun vrijheid. Elk gewest had zijn eigen wetten, belastingen en munten - de adel en steden hadden veel inspraak in hun eigen bestuur.
Maar keizer Karel V wilde centralisatie: één koning, één bestuur voor alle gewesten. De adel en steden waren hier fel tegen omdat ze hun macht en invloed zouden verliezen. Na Karel kwam zijn zoon Filips II, maar die woonde gewoon in Spanje!
Omdat Filips er niet was, werd zijn zus Margaretha landvoogd (plaatsvervanger). Maar de Nederlanden hadden drie grote klachten: vaste belastingen, kettervervolging van protestanten, en die vervelende centralisatie.
Belangrijk: "Het zijn maar geuzen" - zo werden de Nederlandse opstandelingen eerst spottend genoemd!
In 1566 vroeg de adel in een smeekschrift of de kettervervolging kon stoppen. Margaretha stopte er tijdelijk mee, maar Filips was woedend over deze toegeving.