Onderzoek doen in 4 stappen
Elk statistisch onderzoek bestaat uit vier belangrijke fasen die je altijd in dezelfde volgorde doorloopt. Je begint met een heldere onderzoeksvraag, bijvoorbeeld "Welke sport wordt het meest gespeeld?"
Daarna verzamel je data door bijvoorbeeld elke leerling te laten opschrijven welke sport hij of zij beoefent. Bij de analyse tel je alle antwoorden en maak je een overzichtelijk staafdiagram.
De laatste stap is het trekken van conclusies uit je resultaten. Dan kun je bijvoorbeeld zeggen: "In deze klas is voetbal de populairste sport."
Steekproeven begrijpen
Een populatie is het totale aantal mensen of objecten dat je wilt onderzoeken. Omdat het vaak onmogelijk is om iedereen te onderzoeken, neem je een steekproef - dat is een kleiner deel van de populatie.
Voor betrouwbare resultaten moet je steekproef representatief zijn. Dit betekent dat je steekproef een goede afspiegeling is van de hele populatie die je onderzoekt.
Een aselecte steekproef kies je willekeurig, zonder voorkeur voor bepaalde groepen. Dit geeft je de beste kans op representatieve resultaten.
💡 Onthoud: Een goede steekproef is als een miniversie van je hele populatie - alle belangrijke kenmerken moeten evenredig vertegenwoordigd zijn.
Variabelen herkennen
Kwalitatieve variabelen zijn eigenschappen die je niet als getal kunt uitdrukken, zoals kleur, geslacht of favoriete vak. Kwantitatieve variabelen zijn wel als getal uit te drukken, zoals lengte, gewicht of aantal.
Bij kwantitatieve variabelen maak je onderscheid tussen nominale en ordinale variabelen. Nominale variabelen hebben geen logische volgorde (zoals kleuren), terwijl ordinale variabelen wel een rangorde hebben (zoals cijfers of tevredenheidsscores).
Dit onderscheid is cruciaal omdat het bepaalt welke statistische methoden je later kunt gebruiken voor je analyse.